De enkel is het gewricht tussen uw scheenbeen, kuitbeen en het sprongbeen. Het enkelgewricht wordt ook het bovenste spronggewricht genoemd. Het onderste spronggewricht bevindt zich achter in de voet, tussen het sprongbeen en het hielbeen. Wanneer uw dokter spreekt over uw enkelgewricht, dan wordt het bovense spronggewricht bedoeld. Bij normaal functioneren van de enkel, zorgt het bovenste spronggewricht er hoofdzakelijk voor dat u de voet omhoog en naar beneden kan bewegen. Het onderste spronggewricht is belangrijk voor het zijdelings naar binnen en buiten bewegen van de enkel en voet. De uiteinden van de botten die onderdeel van een gewricht vormen, zijn bekleed met een laag kraakbeen.
Kraakbeen is een gespecialiseerd type bindweefsel en bestaat voor tenminste 90% uit water. Kraakbeen bevat geen zenuwen en bloedvaten. Normaal kraakbeen is een gladde dunne laag met elastische eigenschappen. Het kraakbeen kan stevige schokken en stoten opvangen en zorgt met een dun laagje gewrichtssmeer er voor dat de botstukken gemakkelijk over elkaar kunnen glijden. De totale dikte van het kraakbeen bij een volwassene bedraagt voor het enkelgewricht ongeveer 4 mm.
De enkel (bovenste spronggewricht) en het onderste spronggewricht zijn omgeven door een gewrichtskapsel, dat aan de binnenzijde bekleed is met slijmvlies. Het slijmvlies maakt het gewrichtssmeer wat nodig is voor het normaal funktioneren van een gewricht..
Het gewrichtssmeer bekleedt de kraakbeenvlakken met een dunne film vloeistof. Door zijn stroperige eigenschappen zorgt de vloeistof ervoor dat de gewrichtsvlakken steeds van elkaar gescheiden blijven, waardoor wrijving tot een minimum wordt beperkt en er zo weinig mogelijk slijtage van de gewrichtsvlakken optreedt. Daarnaast worden de kraakbeencellen in het kraakbeen gevoedt door de voedingsstoffen in het gewrichtssmeer.
Stabiliteit van een gewricht wordt in grote mate verkregen door de steun van banden, pezen en spieren rond het betreffende gewricht. Het gewrichtskapsel van de enkel wordt aan de buiten- en binnenzijde versterkt door enkelbanden. Deze enkelbanden bestaan uit lagen sterk bindweefsel. Aan de binnenzijde bevindt zich een enkelband dat driehoekig van vorm is. Deze band is zo sterk dat bij een eventueel ongeval eerder een botbreuk aan de binnenkant van het scheenbeen optreedt dan dat deze band scheurt. Aan de buitenzijde bevindt zich de buitenband van de enkel, die in feite uit drie bandjes is samengesteld. Het voorste- en het achterste bandje loopt van de onderkant van het kuitbeen naar het sprongbeen en het middelste bandje loopt van de onderrand van het kuitbeen naar uw hak (hielbeen). Ook het gewrichtskapsel van het onderste spronggewricht wordt aan alle zijden versterkt door gewrichtsbanden.
Naast de gewrichtsbanden zorgen ook de spieren ervoor dat uw enkel stabiel is. Daarom is het belangrijk dat de spieren normaal ontwikkeld zijn. Juist de spieren kunnen de schokken, die een gewricht te verduren krijgt, goed opvangen door het gewricht te stabiliseren en de krachten tegen te werken. Bovendien zijn de spieren nodig voor de normale bewegingen van het gewricht. De spier die de voet in spitsstand brengt is de kuitspier, die met de achillespees op de achterzijde van uw hiel aanhecht. De spier die uw voet optrekt zit aan de voorzijde van uw scheenbeen. Spieren hechten via pezen aan de botten. Pezen zijn zeer sterke verbindingen bestaande uit ronde en/of platte bindweefsels.
Een slijmbeurs is een dunwandige holte die gevuld is met dezelfde stroperige vloeistof als het gewrichtsvocht. Slijmbeurzen zitten op plaatsen die aan wrijving onderhevig zijn: tussen bot en huid; tussen pees en de huid en tussen pees en een botstuk. De belangrijkste slijmbeurzen rond de enkel zijn die tussen uw hielbeen en de achillespees en tussen de achillespees en de huid. Daarnaast zijn er nog onderhuidse slijmbeurzen ter hoogte van de binnenzijde en buitenzijde van de enkel.