Een los fragment (gewrichtsmuis) is een los stukje bot of kraakbeen wat in het gewricht rondzweeft. Een los fragment ontstaat vaak als onderdeel van gewrichtsslijtage Soms ontstaan ze zonder aanwijsbare reden en worden ze gevormd door het gewrichtskapsel. Typisch voor een los fragment is dat ze niet altijd symptomen geven. Ze bewegen soms vrij in de elleboog en kunnen op die manier klem komen te zitten. Dit noemen we slotklachten. Hierbij treedt een acute bewegingsstop op als gevolg van inklemming van het losse stukje bot/kraakbeen. De patient lukt het vaak door met het schudden van de arm, het stukje te verplaatsen waardoor de elleboog weer normaal kan bewegen. Als reactie op de gewrichtsmuizen kan het kapsel rond de elleboog verdikken. Dit uit zich dan door pijn en een beperkte beweging of de eerder genoemde blokkade. Om verdere beschadiging van het kraakbeen te voorkomen, kan de gewrichtsmuis het beste verwijderd worden met een kijkoperatie.
Gewrichtsmuizen worden meestal met een kijkoperatie (artroscopie) verwijderd.
De elleboog is vaak sterk gezwollen na de operatie. Dit kan leiden tot blaren op de huid en eventuele problemen met de wondjes. Vaak neemt de beweeglijkheid die door het verwijderen van het losse fragment is verkregen, tijdelijk af als gevolg van deze zwelling. Direct na de operatie wordt de elleboog beschermd door een drukverband. Dit blijft 24uur rond de elleboog en dient om de zwelling tegen te gaan. Hierna moet de elleboog bewogen worden. In sommige gevallen zal dit gebeuren met de hulp van een machine die de elleboog automatisch beweegt.
De resultaten bij deze operatie zijn over het algemeen goed maar, hangen af van de ernst van de (al opgetreden) slijtage van de elleboog. Als er geen schade is aan het gewricht zal de elleboog in de meeste gevallen volledig normaal functioneren. Soms ontstaan er weer nieuwe gewrichtsmuizen. Deze moeten dan in een later stadium opnieuw worden verwijderd.
Het moment waarop u weer kunt werken hangt af van de grootte van de operatie en het soort werk dat u doet. Als uw dokter het nodig vindt, krijgt u fysiotherapie, maar vaak is zelf oefenen voldoende.